Appellante, houder van een gehandicaptenparkeerkaart, vroeg om een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken bij haar woning. Het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden wees dit verzoek af omdat er geen sprake was van parkeerdruk in de omgeving. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak.
Het college voerde een zorgvuldig onderzoek uit naar de parkeerdruk rondom de woning van appellante, waarbij op acht momenten binnen een periode van vijf dagen werd vastgesteld dat de parkeerbezetting varieerde tussen 41% en 54%. Appellante stelde dat het onderzoek niet zorgvuldig was en dat sprake was van parkeerdruk, maar kon dit niet onderbouwen. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat de genoemde vergelijkbare gevallen zich in andere straten met andere omstandigheden bevinden.
Daarnaast werd een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn gehonoreerd. De procedure duurde vier jaar en vijf maanden, wat vijf maanden langer was dan de redelijke termijn. De Staat werd veroordeeld tot betaling van € 500,- schadevergoeding en € 267,- proceskosten aan appellante.