ECLI:NL:CRVB:2021:367
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van toewijzing werkzaamheden aan ambtenaar ondanks vroegtijdige opvolging
Appellant was vanaf 1 september 2015 tijdelijk benoemd als toegevoegd [functie] bij [Dienstonderdeel] met een benoeming die zou eindigen op 1 juni 2019. In maart 2019 werd een opvolger voor deze functie aangesteld met ingang van 11 maart 2019, waarop appellant zijn werkzaamheden voortijdig staakte. Het bestuur droeg appellant vervolgens op om zijn werkzaamheden tot 1 april 2019 voort te zetten, wat door appellant werd aangevochten.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond en oordeelde dat appellant gehouden was de functie tot 1 juni 2019 te vervullen en dat de opgedragen werkzaamheden aansloten bij zijn kennis, ervaring en wensen zoals bepaald in de minnelijke regeling. In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, maar de Raad volgde het oordeel van de rechtbank.
De Raad overwoog dat het vroegtijdig aannemen van een opvolger niet betekende dat appellant geen werk meer had of zijn werkzaamheden mocht neerleggen. De werkzaamheden pasten bij zijn competenties en ervaring, en de wensen van appellant waren gelijkwaardig aan deze aspecten. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.