ECLI:NL:CRVB:2021:383
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand en terugvordering wegens verzwegen zelfstandige werkzaamheden
Appellant ontving sinds april 2015 bijstand op grond van de Participatiewet. Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht trok de bijstand met ingang van februari 2017 in en vorderde de kosten van bijstand over de periode februari 2017 tot en met februari 2018 terug, omdat appellant geen melding had gemaakt van zijn inschrijving bij de Kamer van Koophandel en zijn handel in tapijten op de markt.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat uit bankafschriften, belastingaanslagen en omzetbelastingaangiften blijkt dat hij kosten maakte die duiden op geen winstgevendheid. Hij kon geen boekhouding overleggen omdat zijn boekhouder niet bereikbaar was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat zonder boekhouding en met onvoldoende inzicht in omzet en kosten het recht op bijstand niet, ook niet schattenderwijs, kan worden vastgesteld. Het risico dat appellant zijn boekhouder niet kon bereiken, komt voor zijn rekening. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.