ECLI:NL:CRVB:2021:384

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 februari 2021
Publicatiedatum
23 februari 2021
Zaaknummer
19/1345 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor kosten rechtsbijstand wegens voldoende draagkracht

Appellante diende op 20 februari 2018 een aanvraag in voor bijzondere bijstand ter vergoeding van kosten rechtsbijstand tot een bedrag van €143,-. Het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen wees deze aanvraag bij besluit van 15 maart 2018 af, omdat appellante over voldoende draagkracht beschikte. Dit besluit werd gehandhaafd na bezwaar op 18 juni 2018.

De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat ten onrechte geen rekening was gehouden met een minnelijk schuldhulpverleningstraject en beslag op haar uitkering. De Raad oordeelde dat appellante niet was verschenen op de informatiebijeenkomst, waardoor geen schuldhulpverleningstraject tot stand kwam en zij feitelijk over haar volledige inkomen beschikte.

Verder bleek uit de stukken dat het college bij de draagkrachtberekening wel rekening had gehouden met het beslag op het inkomen. Appellante bracht geen nieuwe gronden aan die het oordeel van de rechtbank konden weerleggen. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De aanvraag bijzondere bijstand voor kosten rechtsbijstand wordt afgewezen wegens voldoende draagkracht.

Uitspraak

19.1345 PW

Datum uitspraak: 23 februari 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 februari 2019, 18/3997 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. K.M. van der Boor, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante heeft op 20 februari 2018 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van rechtsbijstand tot een bedrag van € 143,-.
1.2.
Bij besluit van 15 maart 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 juni 2018 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante over voldoende draagkracht beschikt.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank het volgende geoordeeld, waarbij voor eiseres appellante moet worden gelezen en voor verweerder het college:
“De beroepsgrond van eiseres dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat er sprake is van een schuldhulpverleningstraject, slaagt niet. Omdat eiseres niet is verschenen op de informatiebijeenkomst van 15 maart 2015 (…) is er geen minnelijk schuldhulpverleningstraject tot stand gekomen. Dat betekent dat eiseres ten tijde van de aanvraag in beginsel de feitelijke beschikking had over haar volledige inkomen.
De beroepsgrond van eiseres dat ten onrechte geen rekening is gehouden met het beslag dat op haar inkomen is gelegd, slaagt niet. (…) Uit de rapportage van 9 maart 2018 (productie 2 van de gedingstukken), en de toelichting daarop van verweerder ter zitting, blijkt dat voor de vaststelling van de draagkracht is uitgegaan van een bedrag waarop het beslag (en andere in te houden bedragen) al in mindering zijn gebracht. De rechtbank acht hiermee voldoende gebleken dat het beslag op het inkomen van eiseres in de beoordeling is meegenomen.”
3. In hoger beroep heeft appellante zich, evenals in bezwaar en beroep, op het standpunt gesteld dat haar aanvraag ten onrechte is afgewezen en dat bij de berekening van haar draagkracht ten onrechte geen rekening is gehouden met het feit dat zij aan een minnelijke schuldregeling zou gaan deelnemen en beslag op haar uitkering is gelegd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellante heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust
.
4.2.
Uit 4.1 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van S.H.H. Slaats als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2021.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) S.H.H. Slaats