ECLI:NL:CRVB:2021:394
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens andere ziekteoorzaak bij toegenomen klachten
Appellant, die zich in 2013 ziek meldde met schouder- en handklachten, kreeg in 2015 geen WIA-uitkering toegekend omdat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% was. In 2017 meldde appellant toegenomen gezondheidsklachten, waaronder duizeligheid en knieklachten, die volgens het UWV een andere ziekteoorzaak hadden dan de eerdere schouderklachten.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat de medische rapporten en het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep aantoonden dat de knieklachten niet eerder tot beperkingen hadden geleid en niet samenhingen met de eerdere ziekteoorzaak. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de knieklachten al sinds 2009 bestonden en in mei 2015 waren toegenomen, maar kon dit niet met bewijs onderbouwen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht had vastgesteld dat de toegenomen beperkingen niet voortvloeiden uit dezelfde ziekteoorzaak als tijdens de wachttijd en dat appellant onvoldoende had aangetoond dat de knieklachten eerder tot beperkingen leidden. Het hoger beroep werd verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering tot toekenning van de WIA-uitkering wordt bevestigd.