ECLI:NL:CRVB:2021:395
Centrale Raad van Beroep
- Tussenuitspraak
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende gemotiveerde vaststelling arbeidsongeschiktheid en begeleidingsbehoefte in WIA-uitkeringszaak
Appellante, docente Frans, heeft sinds 2010 meerdere malen een WIA-uitkering aangevraagd vanwege lichamelijke en psychische klachten, waaronder PDD-NOS en PTSS. Het UWV stelde de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 36,5% en wees haar functies toe die volgens het UWV passend zijn. Appellante betwistte dit en stelde dat zij specifieke professionele begeleiding nodig heeft vanwege haar autisme en beperkingen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de medische en arbeidskundige beoordeling zorgvuldig was en dat de functies passend waren. In hoger beroep betoogde appellante dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen urenbeperking of beperkingen voor concentratie en aandacht zijn aangenomen, en dat de noodzakelijke begeleiding niet adequaat is meegenomen.
De Raad concludeert dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet gemotiveerd heeft ingegaan op de noodzaak van specifieke begeleiding en onvoldoende heeft toegelicht op welk niveau deze begeleiding vereist is. Ook is onvoldoende gemotiveerd of appellante in de geduide functies kan functioneren zonder een vertrouwensband met de begeleider. Hierdoor is het besluit niet gebaseerd op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag en strijdig met de Awb.
De Centrale Raad van Beroep draagt het UWV op het besluit binnen acht weken te herstellen, rekening houdend met de overwegingen van de Raad.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het besluit te herstellen vanwege onvoldoende motivering over de noodzakelijke specifieke begeleiding en geschiktheid voor functies.