ECLI:NL:CRVB:2021:415
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatst werkzaam als verzorgende, meldde zich ziek na een bedrijfsongeval in 2015. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde daarom een WIA-uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat de medische beperkingen juist en zorgvuldig waren vastgesteld en dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt dat onvoldoende rekening was gehouden met haar fysieke en psychische klachten. Zij overhandigde aanvullend psychologisch onderzoek en een brief van een intensivist. De Raad oordeelde dat deze nieuwe stukken geen aanleiding geven tot een ander oordeel, omdat de klachten in de periode rond de datum in geding niet in die mate aanwezig waren en de medische beoordeling zorgvuldig en gemotiveerd was.
De Raad concludeerde dat de aangevallen uitspraak van de rechtbank terecht was en bevestigde de weigering van de WIA-uitkering. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering wordt bevestigd.