ECLI:NL:CRVB:2021:419
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling juiste vaststelling arbeidsongeschiktheidspercentage WIA na zorgvuldige medische en arbeidsdeskundige toetsing
Appellante, werkzaam als begeleidster in een logeerhuis, meldde zich ziek met hand- en polsklachten en ontving diverse WIA-uitkeringen met wisselende arbeidsongeschiktheidspercentages. Het UWV stelde de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 61,86% na medisch en arbeidsdeskundig onderzoek, waarbij functies werden geselecteerd en beperkingen beoordeeld.
Appellante voerde bezwaar aan tegen deze vaststelling, onder meer vanwege het gebruik van Venlafaxine in hoge dosering en het dragen van polsbraces aan beide handen, en stelde dat het medisch onderzoek onvolledig was. De rechtbank oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat de bevindingen van de door appellante ingeschakelde deskundige geen aanleiding gaven tot een ander oordeel.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad vond dat het UWV en de rechtbank het rapport van de deskundige Snels voldoende hadden betrokken, dat het medisch onderzoek adequaat was en dat de beperkingen door medicatie en braces niet zodanig waren dat het arbeidsongeschiktheidspercentage moest worden verhoogd. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het arbeidsongeschiktheidspercentage van 61,86% terecht is vastgesteld en verklaart het hoger beroep ongegrond.