ECLI:NL:CRVB:2021:427
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering verhoging WAO-uitkering wegens ontbrekende hulpbehoevendheid
Appellant, die een WAO-uitkering ontvangt op basis van 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid, verzocht het UWV om verhoging van zijn uitkering wegens hulpbehoevendheid. Het UWV wees dit verzoek af na onderzoek door verzekeringsartsen die concludeerden dat appellant niet in een althans voorlopig blijvende toestand van hulpbehoevendheid verkeert die geregelde oppassing en verzorging vereist.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat appellant grotendeels zelfstandig functioneert bij essentiële dagelijkse levensverrichtingen zoals wassen, aankleden, eten en toiletbezoek. Er was geen sprake van hulp bij deze levensverrichtingen, waardoor geen geregelde verzorging nodig is.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij vanwege somatische en psychiatrische aandoeningen begeleiding en thuiszorg ontvangt, waaronder toezicht bij medicatietoediening. De Raad voor de Rechtspraak overwoog dat hoewel er sprake is van geregelde oppassing in de vorm van handreikingen, niet wordt voldaan aan de cumulatieve voorwaarden voor verhoging van de uitkering zoals vastgelegd in de beleidsregel.
De Raad concludeert dat het UWV terecht de verhoging van de WAO-uitkering heeft geweigerd en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De verhoging van de WAO-uitkering is terecht geweigerd omdat appellant niet voldoet aan de voorwaarden voor hulpbehoevendheid.