ECLI:NL:CRVB:2010:BO9525
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging verhoging WAO-uitkering wegens hulpbehoevendheid getoetst en bevestigd
Appellant ontving sinds 1988 een WAO-uitkering met een verhoging wegens hulpbehoevendheid. Het UWV besloot in 2009 deze verhoging te beëindigen, omdat uit medisch onderzoek bleek dat appellant niet langer aangewezen was op hulp bij essentiële dagelijkse levensverrichtingen (ADL). Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat hij wel degelijk hulp nodig had, ondersteund door medische verklaringen.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, stellende dat het UWV zich mocht baseren op de goed gemotiveerde adviezen van verzekeringsartsen. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij door verlamming van zijn rechterhand niet zelfstandig kon aan- en uitkleden, maar het UWV handhaafde het besluit met een aanvullende verklaring van een bezwaarverzekeringsarts.
De Raad toetste het beleid en de feiten, waarbij het beleid omtrent hulpbehoevendheid en de mate van uitkeringsverhoging als rechtens aanvaard werd beschouwd. De Raad oordeelde dat de medische gegevens onvoldoende waren om te concluderen dat appellant noodzakelijkerwijs hulp nodig had bij ADL-verrichtingen. De eerdere uitspraak werd bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van de verhoging van de WAO-uitkering wordt bevestigd.