ECLI:NL:CRVB:2021:446
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslissing UWV over mate van arbeidsongeschiktheid en WIA-uitkering
Appellant, voormalig machine operator, meldde zich ziek met diverse klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek beperkingen vast en kende een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 58,79%. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het UWV verklaarde dit ongegrond.
De rechtbank bevestigde het UWV-besluit, oordeelde dat de medische onderzoeken zorgvuldig waren en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) adequaat waren vastgesteld. De rechtbank vond dat de geselecteerde functies passend waren en dat appellant niet volledig arbeidsongeschikt was, waardoor een IVA-uitkering niet aan de orde was.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, waaronder dat hij niet in staat zou zijn 40 uur per week te werken en dat zijn hoofdpijnklachten onvoldoende waren meegewogen. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en het UWV, benadrukte het ontbreken van nieuwe medische gegevens ter onderbouwing van appellant zijn klachten en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
De Raad concludeerde dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht was vastgesteld en dat de geselecteerde functies passend zijn. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.