ECLI:NL:CRVB:2021:451
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering na juiste vaststelling arbeidsongeschiktheid en beperkingen
Appellant was sinds 1 september 2014 minder dan 35% arbeidsongeschikt en werkte sindsdien als productiemedewerker. Na uitval wegens psychische klachten op 5 maart 2015 vroeg appellant een WIA-uitkering aan. Een verzekeringsarts stelde op 17 januari 2017 vast dat appellant belastbaar was met beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige concludeerde dat appellant niet geschikt was voor zijn oude werk, maar wel voor andere functies, waarbij de arbeidsongeschiktheid op 19,26% werd vastgesteld.
Het UWV kende een loongerelateerde WGA-uitkering toe tot 4 september 2017, maar stelde vervolgens dat appellant geen recht meer had op een WIA-uitkering vanaf 5 september 2017. Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank vernietigde dit besluit en stelde de beëindiging van de WIA-uitkering vast per 14 september 2017, met inachtneming van een aanzegtermijn.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn psychische klachten en verzocht om een onafhankelijke deskundige. De Raad oordeelde dat alle relevante medische informatie was betrokken bij de beoordeling, dat de beperkingen in de FML juist waren vastgesteld en dat de belasting van de geduide functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt. Er was geen aanleiding voor het inschakelen van een onafhankelijke deskundige. De Raad bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering per 14 september 2017 wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.