Uitspraak
18.2931 WAJONG
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een jonggehandicapte met een Wajong-uitkering wegens een erfelijke stofwisselingsziekte, verzocht om met behoud van zijn uitkering in Turkije te mogen verblijven, omdat zijn ouders met een remigratie-uitkering naar Turkije willen verhuizen en hij volledig afhankelijk is van hun verzorging.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) wees dit verzoek af, en ook de rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond. De rechtbank stelde dat het exportverbod van de Wajong-uitkering uitgangspunt is en dat de hardheidsclausule slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden toegepast. Er moest sprake zijn van objectieve en dwingende redenen voor de ouders om buiten Nederland te wonen, wat niet was aangetoond.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn persoonlijke omstandigheden een geslaagd beroep op de hardheidsclausule rechtvaardigen. De Raad oordeelde echter dat de remigratie van de ouders voornamelijk op eigen keuze berust en niet objectief en dwingend noodzakelijk is. De enkele afhankelijkheid van appellant van zijn ouders maakt dit niet anders.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af, waarmee het verzoek om met behoud van de Wajong-uitkering in Turkije te verblijven niet werd toegestaan.
Uitkomst: Het verzoek van appellant om met behoud van zijn Wajong-uitkering in Turkije te verblijven is afgewezen omdat de remigratie van zijn ouders niet objectief en dwingend noodzakelijk is.