ECLI:NL:CRVB:2021:453
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging zorgvuldig medisch onderzoek UWV en afwijzing hoger beroep arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als medewerker hypotheken en meldde zich op 18 juni 2012 ziek. Na een aanvraag voor een WIA-uitkering in 2014 werd haar arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 100%, later bij herbeoordeling op 80-100%. Het UWV besloot in 2016 de uitkering niet te wijzigen, maar na bezwaar van de werkgever werd de mate van arbeidsongeschiktheid verlaagd naar 76,60%, behorend tot de klasse 35-80%.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en zag geen aanleiding voor benoeming van een deskundige. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en betwistte de geschiktheid van de geselecteerde functies, maar herhaalde daarmee grotendeels haar eerdere standpunten.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en stelt vast dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep haar conclusies goed heeft gemotiveerd en dat de medische informatie van appellante geen aanleiding geeft tot twijfel aan de beoordeling. Er is geen noodzaak voor nader onderzoek en het hoger beroep wordt afgewezen. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.