ECLI:NL:CRVB:2021:461
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, een voormalig psychiatrisch verpleegkundige die sinds 2000 in Duitsland woont, heeft meerdere keren een WIA-uitkering aangevraagd bij het UWV. Na een eerdere weigering in 2015 wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid, diende appellant in 2018 opnieuw een aanvraag in. Het UWV weigerde opnieuw de uitkering toe te kennen omdat de mate van arbeidsongeschiktheid volgens medisch en arbeidskundig onderzoek minder dan 35% bedroeg.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep alle relevante medische informatie had betrokken. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onzorgvuldig was, dat niet alle recente medische gegevens waren meegenomen en dat zijn progressieve aandoening niet voldoende was meegewogen.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en oordeelde dat het UWV terecht had vastgesteld dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was. De Raad stelde vast dat alle relevante medische informatie was betrokken en dat latere medische ingrepen niet relevant waren voor de datum van beoordeling. Ook werd bevestigd dat de geselecteerde functies medisch passend waren.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om appellant een WIA-uitkering toe te kennen wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.