Appellante heeft een toeslag op haar WIA-uitkering aangevraagd met ingang van 21 maart 2018, maar het UWV wees deze aanvraag af omdat zij geen domicilieadres kon opgeven. Pas per 14 juli 2018 werd zij ingeschreven in de Basisregistratie Personen op een woonadres, waarna het UWV de toeslag met ingang van die datum toewees. Appellante maakte bezwaar tegen de beperkte ingangsdatum.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat appellante niet had aangetoond dat zij vóór 14 juli 2018 een hoofdverblijf in een woning had, mede omdat zij zelf verklaarde bij verschillende gezinnen onderdak te hebben gevonden. In hoger beroep betoogde appellante dat het hebben van een hoofdverblijf geen vereiste zou zijn, maar dit werd verworpen op grond van de wettelijke tekst.
De Raad oordeelde dat appellante onvoldoende concrete en controleerbare gegevens had geleverd om haar hoofdverblijf aan te tonen. Vanwege deze onduidelijke woonsituatie kon niet worden vastgesteld dat zij recht had op toeslag voor de periode vóór 14 juli 2018. Het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen, maar het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.