ECLI:NL:CRVB:2021:494
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsaanvraag wegens vermogen boven vermogensgrens zonder aftrek van schulden
Appellante diende op 5 mei 2017 een aanvraag om bijstand in op grond van de Participatiewet. Het college van burgemeester en wethouders van Venlo wees deze aanvraag af omdat appellante over een vermogen beschikte van €8.228,97, wat hoger is dan de voor haar geldende vermogensgrens van €5.940. Het college hield geen rekening met een schuld van €5.128,39 aan haar ouders en een studieschuld van €24.741,20 aan DUO, omdat niet aannemelijk was gemaakt dat deze schulden een daadwerkelijke en afdwingbare terugbetalingsverplichting inhielden.
De rechtbank Roermond verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, hetgeen appellante in hoger beroep aanvocht. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat schulden alleen in aanmerking genomen kunnen worden als zij bestaan, opeisbaar zijn tijdens de bijstandsverlening en afdwingbaar zijn. Schulden aan familie worden in principe als vrijblijvend beschouwd, tenzij concreet, objectief en verifieerbaar bewijs wordt geleverd van een afdwingbare terugbetalingsverplichting.
Appellante kon dit niet aannemelijk maken, ondanks het overleggen van geldleningsovereenkomsten en betalingen aan haar ouders. Ook de studieschuld aan DUO werd niet in mindering gebracht omdat de aflossingsverplichting afhankelijk is van draagkracht en niet vaststaat dat deze daadwerkelijk moet worden terugbetaald. De enkele mededeling dat de aflosfase binnenkort begint was onvoldoende.
De Raad concludeerde dat appellante in de beoordelingsperiode over vermogen boven de vermogensgrens beschikte zonder dat schulden in mindering konden worden gebracht, waardoor het hoger beroep faalde. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt bevestigd.