ECLI:NL:CRVB:2021:499
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag woonkostentoeslag wegens ontbreken plotselinge inkomensdaling
Appellant en zijn neef sloten samen een huurovereenkomst voor een woning. De neef betaalde tot november 2017 mede de huur, waarna hij vertrok en stopte met betalen. Appellant vroeg bijzondere bijstand aan in de vorm van een woonkostentoeslag wegens vermeende inkomensdaling.
Het college wees de aanvraag af omdat niet voldaan werd aan de voorwaarde van een plotselinge en onvoorziene inkomensdaling. De rechtbank bevestigde dit besluit. In hoger beroep stelde appellant dat het wegvallen van de huurbetaling van zijn neef een inkomensdaling betekende.
De Raad oordeelde dat de betaling door de neef geen inkomen voor appellant was, maar een verlaging van zijn huurkosten. Het stoppen van deze betaling leidde dus niet tot een inkomensdaling. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De aanvraag woonkostentoeslag wordt afgewezen omdat geen sprake is van een plotselinge en onvoorziene inkomensdaling.