ECLI:NL:CRVB:2021:50
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid college tot opschorting en intrekking bijstand wegens niet verschijnen op gesprek
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en werd in het kader van een heronderzoek uitgenodigd voor gesprekken over haar recht op bijstand. Zij verscheen op 19 en 26 juni 2017 zonder bericht niet op deze gesprekken. Het college schortte daarop de bijstand op en trok deze later in. Appellante voerde aan dat zij wegens de verzorging van een ernstig zieke vriendin buiten de gemeente verbleef en niet verplicht was dit te melden.
De rechtbank vernietigde het besluit van het college wegens onvoldoende motivering, maar handhaafde de rechtsgevolgen omdat appellante onvoldoende medewerking had verleend. In hoger beroep stelde appellante dat het college niet redelijk had gehandeld en dat zij niet verplicht was haar verblijf binnen Nederland buiten de gemeente te melden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante wel degelijk medewerking had moeten verlenen en haar afwezigheid had moeten melden, zodat het college rekening had kunnen houden met haar situatie. De Raad vond het college bevoegd om de bijstand op te schorten en in te trekken en oordeelde dat er geen dringende redenen waren om hiervan af te zien. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het college was bevoegd de bijstand op te schorten en in te trekken.