ECLI:NL:CRVB:2021:501
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening AOW-pensioen naar gehuwdennorm na gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 2005 een AOW-pensioen naar de norm voor alleenstaanden. De Sociale verzekeringsbank (Svb) stelde in 2017 vast dat appellante vanaf 1 oktober 2009 een gezamenlijke huishouding voerde met een ander persoon, waardoor haar AOW-pensioen herzien moest worden naar de gehuwdennorm. De Svb herzag het pensioen met ingang van 1 oktober 2017 en niet met terugwerkende kracht vanaf 2009, vanwege het rechtszekerheidsbeginsel en het feit dat appellante niet kon worden verweten dat haar pensioen niet eerder was aangepast.
Appellante voerde aan dat de Svb haar een overgangstermijn had moeten gunnen om haar woon- en leefsituatie aan te passen, en dat de herziening in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel. De Raad oordeelde dat de wet geen ruimte biedt voor een overgangstermijn en dat de Svb het rechtszekerheidsbeginsel voldoende in acht had genomen door de herziening pas per 2017 te laten ingaan.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit van de rechtbank Limburg en wees het hoger beroep af. De Svb had op grond van onderzoek en huisbezoeken vastgesteld dat sprake was van een gezamenlijke huishouding en dat de eerdere uitkering te hoog was toegekend. Er was geen aanleiding voor een vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De herziening van het AOW-pensioen naar de gehuwdennorm per 1 oktober 2017 wordt bevestigd.