ECLI:NL:CRVB:2021:509
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante was sinds 2011 arbeidsongeschikt wegens fysieke en psychische klachten en ontving een WIA-uitkering. Na een herbeoordeling door het UWV werd haar arbeidsongeschiktheid vastgesteld op minder dan 35%, waarna haar uitkering werd beëindigd.
De rechtbank vernietigde het besluit wegens schending van het hoorplichtbeginsel, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat het besluit inhoudelijk juist was. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het medisch oordeel onjuist was en dat zij een urenbeperking zou moeten krijgen.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had op basis van dossieronderzoek, eigen onderzoek en informatie van huisarts en psychiater vastgesteld dat appellante belastbaar was voor circa 40 uur per week, met voldoende onderbouwing van de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
Er is geen objectieve medische informatie die twijfel zaait over deze beoordeling, en de Raad ziet geen reden om een onafhankelijke deskundige te benoemen. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WIA-uitkering terecht is beëindigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.