ECLI:NL:CRVB:2021:529
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit UWV over arbeidsvermogen en basale werknemersvaardigheden appellant
Appellant, geboren in 1968, ontvangt sinds 1988 een arbeidsongeschiktheidsuitkering vanwege zwakbegaafdheid en fysieke klachten. Na invoering van de Wajong 2015 werd zijn recht op uitkering opnieuw beoordeeld. Het UWV stelde op 9 juni 2017 vast dat appellant arbeidsvermogen heeft, waardoor zijn uitkering werd verlaagd.
Appellant maakte bezwaar en beroep tegen dit besluit, stellende dat hij niet over basale werknemersvaardigheden beschikt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige voldoende onderbouwden dat appellant onder begeleiding taken kan uitvoeren en afspraken kan nakomen.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt, maar bracht geen nieuwe argumenten of stukken in. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het rapport van de verzekeringsarts van 22 mei 2017 niet aantoont dat appellant geen basale werknemersvaardigheden bezit. Ook het feit dat re-integratie niet succesvol was en een stage vroegtijdig werd beëindigd, leidt niet tot het oordeel dat appellant geen arbeidsvermogen heeft.
De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding om het hoger beroep gegrond te verklaren. De proceskosten worden niet toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV dat appellant arbeidsvermogen heeft wordt bevestigd.