ECLI:NL:CRVB:2021:534
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens verdiencapaciteit boven 65% bevestigd
Appellant, laatstelijk werkzaam als productiemedewerker, meldde zich ziek met psychische en lichamelijke klachten en ontving een Ziektewetuitkering. Na een toetsing in het tweede ziektejaar stelde een verzekeringsarts beperkingen vast in een functionele mogelijkhedenlijst (FML), en een arbeidsdeskundige berekende dat appellant 71,28% van zijn maatmaninkomen kon verdienen. Het UWV beëindigde daarop de uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat er geen reden was om te twijfelen aan de juistheid van de FML en dat de geselecteerde functies passend waren. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn klachten onvoldoende waren meegewogen en vroeg om benoeming van een onafhankelijke deskundige, wat werd afgewezen.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de medische beoordeling juist was en dat de functies passend waren, ook gezien de mogelijkheid tot gehoorbescherming bij lawaaierige werkzaamheden. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering omdat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen.