ECLI:NL:CRVB:2021:552
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en WIA-uitkering bij appellant met vermoeidheidsklachten
Appellant, werkzaam als adviseur energieverbruik, viel wegens ziekte uit op 5 maart 2015 en vroeg op 16 november 2016 een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde de arbeidsongeschiktheid aanvankelijk vast op 33,76% en wees de aanvraag af. Na bezwaar en aanvullend onderzoek werd de arbeidsongeschiktheid bij besluit van 16 oktober 2017 vastgesteld op 35 tot 45%, met toekenning van een WGA-vervolguitkering.
Appellant stelde in hoger beroep dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met zijn medische situatie, waaronder een dotterbehandeling, psychische klachten, post-CABG pijnsyndroom, chronische pijn en vermoeidheidsklachten. Tevens voerde hij aan dat de beperkingen ten aanzien van knijpkracht waren onderschat en verwees naar een verzekeringsarts die meer beperkingen adviseerde.
De Raad oordeelde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, dat de door appellant aangevoerde medische informatie onvoldoende aanleiding gaf tot meer beperkingen en dat de bevindingen van de door appellant ingeschakelde verzekeringsarts onvoldoende gemotiveerd waren. De Raad bevestigde dat het UWV rekening had gehouden met vermoeidheidsklachten en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst passend waren.
De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Amsterdam. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV wordt bevestigd dat appellant 35 tot 45% arbeidsongeschikt is.