ECLI:NL:CRVB:2021:57
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslissing over AOW-korting wegens verblijf in Suriname
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) waarin een korting van 34% op zijn AOW-pensioen is toegepast vanwege niet-verzekerde periodes van circa 17 jaar, waaronder een verblijf in Suriname tussen 1968 en 1975. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant zijn beroepsgrond te laat had ingebracht en dat vaste rechtspraak bepaalt dat het begrip 'Rijk' in de AOW tot 1990 beperkt is tot Europa.
In hoger beroep betoogde appellant dat de rechtbank ten onrechte zijn beroepsgrond als strijdig met de goede procesorde had aangemerkt en dat de vaste rechtspraak onjuist was. Hij verzocht om aanhouding van de zaak vanwege technische problemen bij deelname aan de zitting en politieke ontwikkelingen omtrent de AOW-opbouw van voormalig ingezetenen van Suriname.
De Raad vond geen aanleiding tot aanhouding. Appellant had voldoende gelegenheid gehad zijn gronden schriftelijk naar voren te brengen en de technische problemen waren zijn risico. De Raad bevestigde de vaste rechtspraak dat Suriname verantwoordelijk is voor zijn eigen socialezekerheidsstelsel en dat de Nederlandse overheid niet verantwoordelijk is voor AOW-opbouw tijdens verblijf in Suriname.
Hoewel politieke moties en brieven aan de Tweede Kamer aandacht vragen voor de problematiek van de AOW-opbouw van deze groep, heeft dit niet geleid tot een wettelijke voorziening. De Raad liet de mogelijkheid open dat appellant bij toekomstige politieke besluitvorming een verzoek om herziening kan indienen.
Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.