ECLI:NL:CRVB:2021:575
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na zorgvuldige medische beoordeling bevestigd
Appellant, laatstelijk werkzaam als schilder, meldde zich ziek en ontving aanvankelijk een Ziektewetuitkering. Het UWV stelde vast dat appellant vanaf 13 augustus 2018 geschikt was voor ten minste één van de eerder geselecteerde WIA-functies, waarna de Ziektewetuitkering werd beëindigd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze beslissing ongegrond, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de verzekeringsarts voldoende had gemotiveerd dat appellant geschikt was voor de functie van productiemedewerker industrie.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn incontinentie, hand-, rug- en psychische klachten onvoldoende in aanmerking waren genomen, waardoor hij niet geschikt zou zijn voor de WIA-functies. De Centrale Raad van Beroep volgde echter de rechtbank en het UWV. De verzekeringsartsen hadden het dossier grondig bestudeerd, een anamnese afgenomen en eigen onderzoek verricht, en overtuigend toegelicht dat er geen medisch objectiveerbare belemmeringen waren om een van de WIA-functies te vervullen.
De Raad concludeerde dat appellant geen nieuwe medische gegevens had overgelegd die het oordeel konden weerleggen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het hoger beroep verworpen. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellant is terecht beëindigd omdat hij geschikt is voor een van de eerder geselecteerde WIA-functies.