ECLI:NL:CRVB:2021:576
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering WIA-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellant, laatstelijk werkzaam als schilder, meldde zich ziek met psychische en lichamelijke klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, onder meer omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen adequaat waren vastgesteld.
In hoger beroep stelde appellant dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met zijn incontinentie, hand-, rug- en psychische klachten. De Raad volgde het UWV en de rechtbank, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, dat de beperkingen passend waren vastgesteld en dat er geen aanleiding was de mate van arbeidsongeschiktheid te herzien.
De Raad concludeert dat het UWV terecht de WIA-uitkering heeft geweigerd en bevestigt de eerdere uitspraak. Er is geen grond voor toekenning van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter H.G. Rottier op 11 maart 2021.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht een WIA-uitkering heeft geweigerd.