ECLI:NL:CRVB:2021:584
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering Wajong-uitkering ondanks bezwaar appellant
Appellant ontving een Wajong-uitkering die hoger bleek dan waar hij recht op had vanwege werkzaamheden die niet waren meegenomen bij de vaststelling. Het UWV vorderde onverschuldigd betaalde bedragen terug en stelde een maandelijkse inhouding vast. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar de rechtbank verklaarde het bezwaar tegen de terugvordering ongegrond en vernietigde een ander besluit wegens motiveringsgebrek.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de uitspraak onduidelijk was, dat zijn gemachtigde door een gehoorhandicap beperkt was tijdens de zitting, en dat het UWV onvoldoende rekening hield met zijn financiële situatie. De Raad concludeerde dat appellant voldoende gelegenheid had gehad om zijn standpunt toe te lichten, dat de rechtbank zorgvuldig had gehandeld en dat het UWV terecht de vorderingen van andere schuldeisers buiten beschouwing had gelaten vanwege de preferente status van de vordering.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Klachten over bejegening door het UWV konden niet in deze procedure worden behandeld. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van de Wajong-uitkering en wijst het hoger beroep af.