ECLI:NL:CRVB:2021:597
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vernietigt besluit UWV over arbeidsongeschiktheid wegens onvoldoende waardering pijnklachten
Appellant, sinds 1990 werkzaam als chauffeur en magazijnmedewerker, viel in 2011 uit wegens gezondheidsproblemen. Het UWV kende hem aanvankelijk een WGA-uitkering toe met 100% arbeidsongeschiktheid, maar stelde deze later bij op minder dan 35%, waardoor de uitkering werd beëindigd. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit en voerde aan dat zijn pijnklachten onvoldoende waren meegewogen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en dat de medische beoordeling juist was gemotiveerd. Appellant ging in hoger beroep en voerde aan dat de rapporten van het UWV onvoldoende rekening hielden met de diagnose van chronische, invaliderende pijnklachten zoals vastgesteld door behandelend specialisten.
De Centrale Raad van Beroep volgt deze kritiek en stelt vast dat het UWV onvoldoende waarde heeft gehecht aan de informatie van behandelend specialisten over ernstige, therapieresistente pijnklachten. De Raad oordeelt dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke grondslag is gebaseerd en in strijd is met artikel 7:12 van Pro de Awb. Daarom draagt de Raad het UWV op het besluit binnen zes weken te herstellen door de Functionele Mogelijkhedenlijst te heroverwegen en de gevolgen voor de arbeidsongeschiktheid opnieuw vast te stellen.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen de arbeidsongeschiktheid opnieuw te beoordelen met inachtneming van de pijnklachten.