ECLI:NL:CRVB:2021:602
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op WGA-uitkering en mate van arbeidsongeschiktheid volgens UWV
Appellant, werkzaam als scheepsmetaalbewerker, viel in 2012 uit vanwege rugklachten en ontving vanaf 2015 een WGA-uitkering. Het UWV stelde in 2016 en 2017 de mate van arbeidsongeschiktheid vast op respectievelijk circa 72,5%. Appellant maakte bezwaar tegen deze vaststelling en voerde aan dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn pijnklachten en beperkingen, en dat hem een IVA-uitkering had moeten worden toegekend.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV voldoende rekening had gehouden met de beperkingen en dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had in rapporten van april en oktober 2017 de beperkingen toegelicht en gemotiveerd waarom geen hogere mate van arbeidsongeschiktheid of urenbeperking van toepassing was.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank. De Raad vond dat het UWV de vragen van de rechtbank had beantwoord, dat de medische beoordeling zorgvuldig was en dat de arbeidsdeskundige de functies passend had geselecteerd. De toekenning van een IVA-uitkering aan appellant per 23 februari 2018 betrof een ander feitencomplex en beoordelingsdatum. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV inzake de WGA-uitkering bevestigd.