ECLI:NL:CRVB:2021:616
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslissing UWV over herziening WAO-uitkering na toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellant ontvangt sinds 1984 een WAO-uitkering die in de loop der jaren is aangepast naar een lagere mate van arbeidsongeschiktheid. Na melding van een verslechtering van zijn gezondheid per 1 juli 2015 heeft het UWV de uitkering herzien en verhoogd met ingang van 28 juni 2017, na een wachttijd van 104 weken. Appellant betwistte deze berekening en stelde dat hij recht had op een snellere verhoging zonder wachttijd, gebaseerd op oudere regelgeving en een andere berekeningswijze van het dagloon.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV de uitkering correct had berekend en geïndexeerd. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad stelt vast dat op de melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid artikel 37 van Pro de WAO van toepassing is, omdat de laatste herziening van de uitkering meer dan vijf jaar geleden was. Artikel 39a, dat een kortere wachttijd van vier weken voorschrijft, is niet van toepassing.
Verder is vastgesteld dat de berekening van het dagloon door het UWV juist is uitgevoerd, met correcte indexering volgens wettelijke regels. De bewering van appellant dat het dagloon op basis van het maatmanloon berekend had moeten worden, wordt verworpen. De Raad concludeert dat het hoger beroep niet kan slagen en bevestigt de aangevallen uitspraak van de rechtbank zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beslissing van het UWV wordt bevestigd.