ECLI:NL:CRVB:2021:658
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling mate arbeidsongeschiktheid en medische beoordeling door verzekeringsarts
Appellante, werkzaam als haarstyliste, meldde zich in 2010 ziek met psychische klachten en ontving een WIA-uitkering met 100% arbeidsongeschiktheid. In 2016 beëindigde het UWV deze uitkering wegens vermindering van de arbeidsongeschiktheid tot minder dan 35%. Appellante meldde verslechtering van haar gezondheid in 2017 en 2018, maar het UWV weigerde terug te komen op het eerdere besluit.
Na bezwaar en medische beoordeling door verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen werd de mate van arbeidsongeschiktheid per 8 november 2016 vastgesteld op 14,36%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij het medische rapport van de verzekeringsarts en het arbeidskundig onderzoek als overtuigend werden beschouwd.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de rechtbank ten onrechte geen deskundige had benoemd en dat er onjuistheden waren in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), met name bij het beoordelingspunt Samenwerken en urenbeperkingen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen aanleiding bestond voor twijfel aan de medische beoordeling of voor benoeming van een deskundige.
De Raad onderschreef de motivering van de rechtbank en het UWV, waaronder de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep uit 2019 en 2021. De beperkingen in de FML werden als passend beschouwd bij de diagnose van appellante. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.