Uitspraak
19.4760 WIA
9 oktober 2019, 19/219 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante was sinds 2007 arbeidsongeschikt en ontving een WGA-vervolguitkering. Na een melding van verslechtering in 2016 stelde het UWV haar arbeidsongeschiktheid vast op 31,25%, waarna de uitkering werd beëindigd. In bezwaar en beroep werd de mate van arbeidsongeschiktheid verhoogd naar 40,62%, waarop de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaarde.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat het UWV onvoldoende rekening hield met haar lichamelijke en psychische beperkingen, waaronder COPD en diverse psychische diagnoses, en dat de functie van administratief ondersteunend medewerker ongeschikt was vanwege haar beperkte belastbaarheid. Tevens stelde zij dat het beginsel van equality of arms was geschonden en verzocht om benoeming van een deskundige.
De Raad oordeelde dat het UWV zorgvuldig had gehandeld, dat de medische informatie voldoende was betrokken en dat de beperkingen juist waren vastgesteld. De ongeschiktheid van de administratief ondersteunend medewerker werd erkend, maar dit leidde niet tot een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse. Er was geen sprake van schending van equality of arms en het verzoek om deskundige werd afgewezen. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de mate van arbeidsongeschiktheid van 40,62% wordt bevestigd.