Appellante ontving vanaf 11 december 2015 een loongerelateerde WGA-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid door psychische klachten. Het UWV beëindigde deze uitkering per 11 juli 2017 en kende een WGA-loonaanvullingsuitkering toe, omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. De voormalige werkgever maakte bezwaar en het bezwaar werd gegrond verklaard, waarna het UWV de uitkering per 5 december 2017 beëindigde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen niet waren onderschat. In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt en bracht nieuwe medische stukken in, waaronder brieven van een psychiater waaruit een schizofrene stoornis bleek.
Het UWV verrichtte een nieuw verzekeringsgeneeskundig onderzoek en concludeerde dat appellante vanaf 11 juli 2017 volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt was. Het UWV handhaafde het bestreden besluit niet langer, waardoor het eerdere besluit van 24 april 2017 herleefde.
De Centrale Raad van Beroep vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit van het UWV, verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat appellante recht heeft op een WGA-loonaanvullingsuitkering vanaf 11 juli 2017. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellante vergoed.