ECLI:NL:CRVB:2021:689
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging dat Ziektewet-uitkering ter hoogte van dagloon alleen aansluitend op WAZO-uitkering kan bestaan
Appellante, werkzaam als accountmanager, beviel in maart 2016 van haar tweede kind en ontving een WAZO-uitkering die in juni 2016 eindigde. Zij meldde zich met terugwerkende kracht ziek en kreeg een Ziektewet-uitkering toegekend vanaf 8 juni 2016, niet direct gerelateerd aan zwangerschap of bevalling. In juli 2017 besloot het UWV de ZW-uitkering ongewijzigd voort te zetten. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV kennelijk ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat een ZW-uitkering ter hoogte van het dagloon alleen aansluitend op een WAZO-uitkering kan bestaan.
In hoger beroep stelde appellante dat haar klachten nog steeds zwangerschapsgerelateerd waren en dat het UWV het besluit op eigen initiatief had moeten baseren op alle medische omstandigheden per 8 juni 2017. Ook voerde zij aan dat de rechtbank ten onrechte het bezwaar kennelijk ongegrond had verklaard en het beroep niet gedeeltelijk gegrond had moeten verklaren. De Centrale Raad van Beroep volgde echter de rechtbank en wees erop dat artikel 29a, vierde lid, van de ZW duidelijk voorschrijft dat een ZW-uitkering ter hoogte van het dagloon alleen aansluitend op een WAZO-uitkering kan worden toegekend.
De Raad benadrukte dat een herzieningsverzoek de enige mogelijkheid is voor appellante om een hogere ZW-uitkering te verkrijgen, maar dat zij daarvoor nog niet had gekozen. Er was geen wettelijke grond om het bezwaar anders te beoordelen. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.