ECLI:NL:CRVB:2021:699
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW-uitkering en niet volgmaken wachttijd Wet WIA bevestigd
Appellant, voormalig vrachtwagenchauffeur, meldde zich ziek met schouderklachten en kreeg later psychische klachten. Het UWV kende hem een Ziektewetuitkering toe, maar beëindigde deze toen werd vastgesteld dat hij meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij zij het deskundigenrapport en de aangepaste functionele mogelijkhedenlijst (FML) volgde.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn psychische beperkingen werden onderschat en dat de geselecteerde functies niet passend waren. Hij overhandigde nieuwe medische en arbeidskundige rapporten. De Raad schakelde de eerder benoemde psychiater opnieuw in, die haar eerdere standpunt bijstelde en een diagnose PTSS stelde. De verzekeringsarts bezwaar en beroep paste de FML daarop aan, waarbij enkele beperkingen werden opgenomen en andere gemotiveerd verworpen.
De Raad oordeelde dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid correct had vastgesteld en dat de geselecteerde functies geschikt waren. Ook bevestigde de Raad dat appellant de wachttijd van 104 weken voor de Wet WIA niet had voltooid. Hoewel het bestreden besluit aanvankelijk onvoldoende was gemotiveerd, werd dit gebrek gepasseerd omdat de uiteindelijke onderbouwing toereikend was en belanghebbenden daardoor niet werden benadeeld.
De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep ongegrond, bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten en griffierecht van appellant.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de ZW-uitkering terecht is beëindigd en dat appellant de wachttijd van 104 weken niet heeft volgemaakt.