ECLI:NL:CRVB:2021:703
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging Wajong-uitkering wegens arbeidsvermogen
Appellant maakte bezwaar tegen de verlaging van zijn Wajong-uitkering van 75% naar 70% van het minimumloon door het UWV, omdat hij volgens het UWV arbeidsvermogen heeft. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.
Het UWV baseerde zich op deskundigenrapporten van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundigen die stelden dat appellant in staat is om ten minste vier uur per dag, waarvan één uur aaneengesloten, te werken in een prikkelarme omgeving met intensieve begeleiding. Appellant beschikt over basale werknemersvaardigheden en kan een eenvoudige, routinematige taak uitvoeren.
Appellant voerde aan dat hij vanwege ernstige geheugen- en concentratieproblemen vaker dan één keer per uur bijsturing nodig heeft en dat een recente behandeling zijn arbeidsvermogen verder heeft verminderd. De Raad oordeelde dat deze argumenten een herhaling zijn van eerdere stellingen die door de rechtbank terecht zijn verworpen en dat de nieuwe behandeling na de datum in geschil geen invloed heeft op de situatie op die datum.
De Centrale Raad van Beroep concludeert dat het UWV zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant arbeidsvermogen heeft en bevestigt de verlaging van de uitkering. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De verlaging van de Wajong-uitkering naar 70% van het minimumloon wordt bevestigd.