ECLI:NL:CRVB:2021:705
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid door psychische klachten
Appellante, laatst werkzaam als kassamedewerkster, meldde zich in 2011 ziek met psychische klachten en ontving vanaf 2013 een WGA-uitkering met 100% arbeidsongeschiktheid. Na herbeoordeling in 2017 bleef deze mate ongewijzigd. Op bezwaar van de werkgever beëindigde het UWV in 2018 de uitkering vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was verricht en de beperkingen juist waren vastgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had de psychische klachten adequaat meegewogen en gemotiveerd waarom geen verdere beperkingen werden aangenomen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar psychische klachten onvoldoende waren meegewogen, met verwijzing naar nieuwe medische stukken en een Wmo-besluit. De Raad oordeelde dat deze informatie niet relevant was voor de datum van het besluit en dat het medisch oordeel en de vastgestelde beperkingen terecht waren vastgesteld.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het UWV, waarbij werd vastgesteld dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is en geen recht heeft op een WIA-uitkering. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de WIA-uitkering heeft geweigerd wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.