ECLI:NL:CRVB:2021:719
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken spoedeisend belang in zorgindicatiezaak
Verzoeker was geïndiceerd voor zorg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en later de Wet langdurige zorg (Wlz). Na een herziening van de zorgindicatie door het CIZ werd de indicatie verlaagd naar een minder zwaar zorgprofiel, wat leidde tot bezwaar en beroep. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit van het CIZ.
Het CIZ stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. Verzoeker vroeg om een voorlopige voorziening om de schorsende werking van het hoger beroep op te heffen, omdat hij dreigde zijn woonruimte en zorg te verliezen door het uitblijven van financiering.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen spoedeisend belang was, omdat verzoeker nog steeds in zijn woning verbleef en zorg ontving van de zorginstelling. Ook was er geen inzicht gegeven in concrete problemen met de financiering. Daarom kon de bodemprocedure worden afgewacht en werd het verzoek afgewezen.
Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak werd gedaan door de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep op 24 maart 2021.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.