ECLI:NL:CRVB:2021:755
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet melden zangoptredens
Appellant ontving vanaf november 2014 bijstand op grond van de Participatiewet. Naar aanleiding van anonieme meldingen dat appellant als zanger werkte, voerde de gemeente Almere een onderzoek uit, waarbij onder meer getuigen werden gehoord en een rapport werd opgesteld. Op basis hiervan trok het college het recht op bijstand in en vorderde het de ontvangen bedragen terug, omdat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden door zijn werkzaamheden en inkomsten niet te melden.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat de rechtbank ten onrechte niet had beoordeeld of hij daadwerkelijk inkomsten had ontvangen en dat hij niet was gewezen op de meldingsplicht voor geld waardeerbare activiteiten. De Raad oordeelde dat uit het onderzoek blijkt dat appellant wel degelijk inkomsten, ook in natura, ontving en dat hij redelijkerwijs had moeten weten dat hij zijn werkzaamheden moest melden.
Appellant stelde verder dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien vanwege zijn psychische klachten. De Raad stelde vast dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de terugvordering onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen heeft, mede omdat hij het bedrag maandelijks aflost en beschermd is door beslagvrije voetregels.
Ten slotte wees de Raad een nieuw beroep op de toeslagenaffaire af wegens strijd met de goede procesorde. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet melden van zangoptredens en inkomsten.