Appellant, laatstelijk werkzaam als kraanmachinist, kreeg een WGA-uitkering toegekend na een verkeersongeval. Het UWV stelde de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 42,46% per 24 juni 2019, na herbeoordelingen en bezwaarprocedures. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het eerste besluit gegrond, maar wees het beroep tegen het tweede besluit af.
In hoger beroep betwist appellant met name de onvoldoende erkenning van beperkingen in de pen- en pincetgreep van de linkerhand, wat relevant is voor functies als inpakker. Ook stelt appellant dat zijn psychische gesteldheid, waaronder het hanteren van emoties van anderen, onvoldoende is meegewogen, wat de passendheid van functies zoals telefonisch verkoper beïnvloedt.
De Raad oordeelt dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze beperkingen niet in de Functionele Mogelijkhedenlijst zijn opgenomen of toegelicht. Daarnaast is de motivering over de psychische belastbaarheid en de passendheid van functies ontoereikend. Ook is twijfel gerezen over de passendheid van de functie besteller post/pakketten vanwege beperkingen bij traplopen.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en draagt het UWV op een nieuwe beslissing te nemen, waarbij alleen beroep bij de Raad mogelijk is. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant, inclusief griffierecht.