Uitspraak
16 maart 2021 een ontruimingsvonnis uitgesproken.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Verzoekster, laatst werkzaam als verkoopmedewerker bakkerij voor 25 uur per week, meldde zich ziek met psychische klachten en ontving een Ziektewetuitkering van het UWV vanaf 14 september 2020. Na medisch onderzoek beëindigde het UWV de uitkering per 2 november 2020 omdat verzoekster weer arbeidsgeschikt werd geacht voor haar eigen werk.
Het bezwaar van verzoekster tegen deze beëindiging werd ongegrond verklaard en ook de voorzieningenrechter van de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Verzoekster stelde in hoger beroep dat haar psychische aandoening ernstiger was dan het UWV aannam en verzocht om een voorlopige voorziening om de uitkering voort te zetten, mede vanwege een dreigend ontruimingsvonnis.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het financiële belang van verzoekster spoedeisend was, maar dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd door een verzekeringsarts die een lichte tot matige stemmingsstoornis constateerde. Deze arts motiveerde overtuigend dat verzoekster haar eigen werk kon verrichten. Ook aanvullende medische stukken boden geen aanleiding tot twijfel.
Daarom is de beëindiging van de Ziektewetuitkering op goede gronden gebaseerd en zal de aangevallen uitspraak naar verwachting in stand blijven in de bodemprocedure. Onder deze omstandigheden is geen voorlopige voorziening nodig.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening tegen beëindiging Ziektewetuitkering wordt afgewezen.