ECLI:NL:CRVB:2021:781
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling mate arbeidsongeschiktheid WIA op 53,91%
Appellante was werkzaam als helpende zorg en meldde zich ziek met schouderklachten. Het UWV kende haar een loongerelateerde WGA-uitkering toe, waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid na bezwaar werd vastgesteld op 48,52%. Later werd de WGA-vervolguitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45 tot 55%, uiteindelijk vastgesteld op 53,91% na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat het beginsel van equality of arms niet was geschonden.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het onderzoek onzorgvuldig was, dat haar beperkingen waren onderschat, en dat onvoldoende rekening was gehouden met haar psychische en fysieke klachten, waaronder concentratieproblemen en energetische belastbaarheid. Ook stelde zij dat de medische beoordeling van de verzekeringsartsen zwaarder woog dan die van haar behandelaars. Het UWV verzocht de uitspraak van de rechtbank te bevestigen.
De Raad toetste de zaak aan de criteria uit het Korošec-arrest en concludeerde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, de medische informatie van behandelaars was betrokken, en dat er geen schending was van equality of arms. De beperkingen van appellante waren naar het oordeel van de Raad juist vastgesteld, waarbij geen aanwijzingen waren voor onderschatting van haar klachten. De recente toekenning van een IVA-uitkering per 6 december 2019 kon niet worden teruggeprojecteerd op de situatie per 1 mei 2018. De functies waarop de arbeidsongeschiktheidsberekening was gebaseerd, waren medisch geschikt bevonden. De Raad bevestigde daarom het arbeidsongeschiktheidspercentage van 53,91% en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De mate van arbeidsongeschiktheid van appellante is terecht vastgesteld op 53,91%.