ECLI:NL:CRVB:2021:782
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatstelijk werkzaam als productiemedewerker en bedieningsmedewerker, meldde zich in 2010 ziek met fysieke klachten. Het UWV weigerde in 2012 en later in 2017 een WIA-uitkering toe te kennen vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was verricht en de medische belastbaarheid overtuigend was vastgesteld.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het ontbreken van een dagverhaal en een inspanningstest tot een onjuiste beoordeling leidde en dat een duurbeperking onvoldoende was onderzocht. De Raad volgde dit niet en stelde vast dat de verzekeringsarts een uitgebreid onderzoek had verricht, waarbij alle klachten en medische informatie waren betrokken. De bedrijfsarts had weliswaar een duurbeperking genoemd, maar deze was onvoldoende onderbouwd met medische stukken.
De Raad concludeerde dat er geen aanleiding was om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling en dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.