ECLI:NL:CRVB:2021:792
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mate van arbeidsongeschiktheid WIA vastgesteld op 41,59%
Appellant, die sinds 2013 klachten aan zijn rechterschouder en psychische klachten heeft, ontving vanaf 2015 een loongerelateerde WGA-uitkering wegens 100% arbeidsongeschiktheid. Na herbeoordeling stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid aanvankelijk vast op 28,72%, waarna een bezwaarprocedure leidde tot een herziening naar 41,59%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij zij de medische beoordeling van het UWV onderschreef.
In hoger beroep betoogde appellant dat de psychische klachten onvoldoende zorgvuldig waren onderzocht en dat sprake was van een ernstige depressie, waarvoor een urenbeperking zou moeten gelden. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een integrale en volledige medische herbeoordeling had verricht, waarbij alle relevante medische informatie, waaronder rapporten van behandelend psychiaters en huisartsen, was betrokken.
De Raad concludeerde dat er geen aanwijzingen waren dat de psychische beperkingen op de datum in geding waren onderschat. De motivering van de verzekeringsarts dat appellant voldoende autonomie en initiatieven vertoonde, werd gevolgd. Ook werd bevestigd dat de geselecteerde functies medisch passend waren. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant terecht is vastgesteld op 41,59%.