ECLI:NL:CRVB:2021:792

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 april 2021
Publicatiedatum
9 april 2021
Zaaknummer
19/192 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 6 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling mate van arbeidsongeschiktheid WIA vastgesteld op 41,59%

Appellant, die sinds 2013 klachten aan zijn rechterschouder en psychische klachten heeft, ontving vanaf 2015 een loongerelateerde WGA-uitkering wegens 100% arbeidsongeschiktheid. Na herbeoordeling stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid aanvankelijk vast op 28,72%, waarna een bezwaarprocedure leidde tot een herziening naar 41,59%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij zij de medische beoordeling van het UWV onderschreef.

In hoger beroep betoogde appellant dat de psychische klachten onvoldoende zorgvuldig waren onderzocht en dat sprake was van een ernstige depressie, waarvoor een urenbeperking zou moeten gelden. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een integrale en volledige medische herbeoordeling had verricht, waarbij alle relevante medische informatie, waaronder rapporten van behandelend psychiaters en huisartsen, was betrokken.

De Raad concludeerde dat er geen aanwijzingen waren dat de psychische beperkingen op de datum in geding waren onderschat. De motivering van de verzekeringsarts dat appellant voldoende autonomie en initiatieven vertoonde, werd gevolgd. Ook werd bevestigd dat de geselecteerde functies medisch passend waren. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant terecht is vastgesteld op 41,59%.

Uitspraak

19 192 WIA

Datum uitspraak: 8 april 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
29 november 2018, 18/1045 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uvw)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. de Vries, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. de Vries. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Breevoort, die door middel van videobellen heeft deelgenomen aan de zitting.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is werkzaam geweest als [naam functie] voor gemiddeld 44,06 uur per week. Op 25 maart 2013 heeft appellant zich, vanuit de situatie dat hij een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet, ziekgemeld met klachten aan zijn rechterschouder. Daarna heeft hij ook psychische klachten gekregen.
1.2.
Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellant met ingang van 23 maart 2015 tot en met 23 december 2017 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 100%.
1.3.
In het kader van een herbeoordeling heeft appellant het spreekuur van 13 januari 2017 bezocht van een arts van het Uwv. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 16 januari 2017. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 28,72%. Het Uwv heeft bij besluit van 6 februari 2017 vastgesteld dat appellant na afloop van de loongerelateerde WGA-uitkering met ingang van 24 december 2017 geen recht meer heeft op een WIA-uitkering, omdat hij met ingang van 6 februari 2017 minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 1 februari 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 februari 2017 gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 41,59%. Daarbij is bepaald dat de hoogte van de WIA-uitkering ongewijzigd wordt voortgezet voor de duur van 24 maanden. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van 8 november 2017 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van 1 december 2017 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in wat appellant heeft aangevoerd geen aanleiding gezien te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsartsen hebben vastgesteld dat appellant psychische klachten heeft, waarvoor in de FML verschillende beperkingen zijn aangenomen. De verzekeringsartsen hebben gemotiveerd onderbouwd waarom bij appellant geen sprake is van een ernstige depressie. De rechtbank volgt deze toelichting. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de informatie in de brief van de psychiater van 16 oktober 2017 bij zijn onderzoek heeft betrokken. In de tijdelijke opname die de psychiater in zijn brief van 16 oktober 2017 voorstelt, ziet de rechtbank onvoldoende reden om aan te nemen dat de verzekeringsartsen bij appellant per datum in geding, 6 februari 2017, hadden moeten uitgaan van een ernstige psychische stoornis en verdergaande psychische beperkingen. De informatie in de brief van de behandelaar van Terwille van augustus 2018, vormt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende medische onderbouwing voor de stelling van appellant dat op de datum in geding bij hem sprake is van een ernstige depressie.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat niet met voldoende zorgvuldigheid onderzoek is gedaan naar de onderliggende feiten en omstandigheden. Er heeft in de bezwaarfase ten aanzien van de psychische klachten slechts een marginale toetsing plaatsgevonden en uitsluitend is bezien of de conclusies van de primaire verzekeringsarts niet innerlijk tegenstrijdig zijn. Het Uwv heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat bij appellant geen sprake is van een depressie. De behandelend psychiater heeft namelijk vastgesteld dat sprake is van een recidiverende, ernstige depressie, met daarnaast matig alcoholgebruik. De psychische klachten van appellant zijn onderschat en appellant dient in aanmerking te komen voor een urenbeperking. Appellant heeft verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 6 februari 2017 heeft vastgesteld op 41,59% (en terecht de hoogte van de WIA-uitkering ongewijzigd heeft voortgezet voor de duur van 24 maanden). Het hoger beroep richt zich op de medische beoordeling van de psychische problematiek van appellant.
4.3.
Anders dan appellant heeft betoogt, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de belastbaarheid van appellant vastgesteld op basis van een integrale beoordeling van de psychische klachten van appellant. Appellant kan worden toegegeven dat het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 8 november 2017 niet uitvoerig is en dat in het rapport zinssneden worden gebruikt die passen bij een marginale toets, echter de inhoud van het rapport en het daaraan ten grondslag liggende onderzoek leiden niet tot de conclusie dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zich heeft beperkt tot een marginale toets. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de bezwaarfase medische informatie opgevraagd bij de behandelend psychiater, uit het rapport volgt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep het dossier heeft bestudeerd, kennis heeft genomen van de verkregen informatie van de behandelend psychiater van 16 oktober 2017 en van de door appellant overgelegde informatie van de huisarts van 18 juni 2017 en alle informatie heeft betrokken bij de medische beoordeling. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant gezien tijdens de hoorzitting en bij die gelegenheid gegevens verkregen, die zijn neergelegd in het rapport, meegenomen in de medische beoordeling. De conclusie is dan ook dat in bezwaar een volledige medische heroverweging is verricht.
4.4.
Het oordeel van de rechtbank dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid van appellant en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid, weergegeven onder 2, worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
4.5.
Dat in de brief van Eleos van 16 oktober 2017 de diagnose is vermeld van ernstige depressie, leidt niet tot het oordeel dat de psychische beperkingen van appellant op de datum in geding onjuist zijn vastgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft afdoende gemotiveerd waarom deze brief geen aanleiding geeft om meer of verdergaande beperkingen op te nemen dan de beperkingen die in de FML zijn opgenomen in verband met de depressieve klachten van appellant. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft uiteengezet dat niet is gebleken van een ernstige depressie omdat appellant voldoende autonomie en initiatieven vertoont. Deze motivering kan worden gevolgd. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat in het rapport van de primaire arts van 16 januari 2017 in de beschrijving van de anamnese en het dagverhaal melding wordt gemaakt dat appellant om de week, 7 dagen van die week, vrijwilligerswerk doet, dat hij gemiddeld wekelijks een opdracht of klusje doet, dat hij vaak met zijn hond wandelt en dat hij langsgaat bij de buren voor een praatje. Tijdens de hoorzitting is niet gebleken dat dit beeld onjuist zou zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft deze gegevens kunnen betrekken bij zijn overweging dat bij appellant ten tijde van de datum in geding geen sprake was van een ernstige depressie. De omstandigheid dat appellant in de bezwaarfase slechts een keer in de maand een hele week vrijwilligerswerk deed en daarna steeds minder tijd aan vrijwilligerswerk is gaan besteden, zoals door appellant ter zitting is aangevoerd, maakt het voorgaande niet anders. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport voldoende onderbouwd waarom er geen medische noodzaak is om een urenbeperking aan te nemen, waarbij de verzekeringsarts bezwaar en beroep erop gewezen heeft dat appellant ook beperkt is ten aanzien van zwaar fysieke arbeid. Appellant heeft in hoger beroep verder geen medische gegevens ingebracht waaraan aanknopingspunten zijn te ontlenen voor het oordeel dat de psychische klachten en de daaruit voortkomende beperkingen op de datum in geding zijn onderschat. De grond van appellant dat zijn psychische klachten zijn onderschat en hij in aanmerking dient te komen voor een urenbeperking, slaagt daarom niet.
4.6.
Nu gelet op het voorgaande geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische beoordeling, wordt geen aanleiding gezien voor benoeming van een onafhankelijke deskundige.
4.7.
Het Uwv heeft voldoende gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn.
4.8.
Uit de overwegingen onder 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Wijna, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2021.
(getekend) S. Wijna
(getekend) D.S. Barthel