ECLI:NL:CRVB:2021:810
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens weigering medewerking huisbezoek zonder redelijke grond
Appellante en haar echtgenoot ontvingen vanaf 2012 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet. Na een heronderzoek verzocht het college hen diverse gegevens te verstrekken en uit te nodigen voor een gesprek. Zij verschenen niet op de eerste uitnodiging en het college constateerde dat de woning leeg was. Tijdens een gesprek op 6 maart 2018 verklaarden zij te zijn verhuisd zonder dit te melden aan het college en weigerden zij medewerking aan een aansluitend huisbezoek.
Het college trok de bijstand met ingang van 6 maart 2018 in wegens het niet meewerken aan het huisbezoek, dat noodzakelijk was om het recht op bijstand vast te stellen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het college een redelijke grond had voor het huisbezoek en dat er geen zwaarwegende redenen waren om de weigering te rechtvaardigen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het college ook minder belastende middelen had kunnen gebruiken en dat zij niet geweigerd hadden maar eerst wilden overleggen met de ouders. De Raad concludeerde dat deze gronden onvoldoende waren en bevestigde het oordeel van de rechtbank. De intrekking van de bijstand blijft daarmee in stand.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd wegens het niet meewerken aan een noodzakelijk huisbezoek zonder zwaarwegende redenen.