Uitspraak
19.4671 WIA
17 oktober 2019, 19/895 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante was werkzaam als schoonmaakster en meldde zich in 2013 ziek met lichamelijke klachten. Na een eerdere afwijzing van haar WIA-aanvraag in 2014 wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid, vroeg zij in 2017 herbeoordeling aan vanwege vermeende toegenomen arbeidsongeschiktheid.
Het UWV stelde na onderzoek door een verzekeringsarts dat haar belastbaarheid niet was afgenomen ten opzichte van de eerdere beoordeling. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat de medische informatie voldoende was onderkend en gemotiveerd waarom er geen aanleiding was voor verdere beperkingen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij nieuwe medische stukken had ingediend en psychische klachten had, maar de Raad concludeerde dat deze gronden feitelijk een herhaling waren van eerdere bezwaren zonder nieuwe medische onderbouwing. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde dat de geselecteerde functies passend waren bij haar belastbaarheid.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat er geen recht op een WIA-uitkering bestaat vanwege het ontbreken van toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WIA-uitkering wordt bevestigd.