Uitspraak
)
Centrale Raad van Beroep
Appellante, werkzaam als modinette, ontving sinds 2015 een WGA-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling in april 2018 stelde een verzekeringsarts de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op, waarin de beperkingen van appellante werden vastgelegd. De arbeidsdeskundige selecteerde passende functies, waarna het UWV besloot de WIA-uitkering per 16 augustus 2018 te beëindigen. Appellante maakte bezwaar, maar de rechtbank verklaarde dit ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd.
In hoger beroep voerde appellante aan dat onvoldoende rekening was gehouden met haar psychische klachten en dat de geduide functies niet geschikt waren. Zij overhandigde nieuwe medische verklaringen van een GZ-psycholoog. Het UWV verwees naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep die stelde dat deze nieuwe informatie geen aanleiding gaf tot wijziging van het standpunt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had ook een psychiatrische expertise laten uitvoeren, waaruit bleek dat er geen valide medische verklaring was voor het niet meewerken van appellante aan het onderzoek.
De Raad volgt het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek zorgvuldig en volledig is uitgevoerd, inclusief lichamelijk en psychisch onderzoek en het betrekken van informatie van de huisarts. De beperkingen zijn adequaat weergegeven in de FML en de geselecteerde functies zijn medisch passend. De Raad ziet geen reden om het besluit van het UWV te wijzigen en bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering per 16 augustus 2018.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WIA-uitkering van appellante terecht is beëindigd per 16 augustus 2018.