ECLI:NL:CRVB:2021:843

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 april 2021
Publicatiedatum
15 april 2021
Zaaknummer
20/2891 MAW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 lid 3 aanhef en onder a VBDArt. 3 VBDArt. 28 VBDAlgemene wet gelijke behandeling
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek behoud toelage buitenland tijdens opleiding in Nederland

Appellant, werkzaam bij de Koninklijke defensie met standplaats in Duitsland, volgde van 8 januari tot 24 maart 2018 een opleiding in Nederland. Tijdens deze periode werd de toelage buitenland stopgezet omdat appellant het gebied van plaatsing langer dan dertig achtereenvolgende dagen had verlaten.

Appellant verbleef in de weekenden in Duitsland, maar dit werd niet als onderbreking van het tijdvak gezien omdat hij hiervoor geen opdracht had en ook in Nederland had kunnen verblijven. Daarnaast werd een militaire oefening in Duitsland als uitzondering op het tijdvak beschouwd.

Appellant voerde aan dat het verschil in behandeling in strijd was met de Algemene wet gelijke behandeling en dat zijn plaatsing niet was geëindigd door het weekendverblijf in Duitsland, maar deze bezwaren werden verworpen.

De Raad concludeerde dat appellant terecht geen toelage buitenland ontving gedurende de opleiding en dat de hardheidsclausule niet van toepassing was. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de toelage buitenland blijft gedurende de opleiding stopgezet.

Uitspraak

20.2891 MAW

Datum uitspraak: 15 april 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 juli 2020, 19/1302 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E.O. Hooning-Abbas hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Hooning-Abbas. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.S. Badri en mr. L.M.H. Polderman.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant was van 1 oktober 2016 tot 1 oktober 2020 werkzaam als [functie] bij de Koninklijke [Onderdeel], standplaats [plaatsnaam 1] (Duitsland). Appellant ontving in verband met zijn plaatsing een toelage buitenland.
1.2.
Op 20 december 2017 is appellant aangewezen om van 8 januari 2018 tot 24 maart 2018 de [opleiding] Koninklijke [Onderdeel] op de [kazerne] in [plaatsnaam 2] te volgen. Bij e-mailbericht van 14 februari 2018 is aan appellant medegedeeld dat gedurende deze periode de toelage buitenland wordt stopgezet.
1.3.
Bij besluit van 12 maart 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 november 2018 (bestreden besluit), heeft de staatssecretaris onder verwijzing naar artikel 5, derde lid, aanhef en onder a, van het Voorzieningenstelsel buitenland defensiepersoneel (VBD) het verzoek van appellant om behoud van zijn toelage buitenland gedurende het volgen van zijn opleiding afgewezen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank onderbreekt de keuze van appellant om tijdens de weekenden in Duitsland te verblijven niet het tijdvak dat appellant het gebied van plaatsing heeft verlaten, zoals bedoeld in artikel 5, derde lid, aanhef en onder a, van het VBD. De staatssecretaris heeft appellant geen opdracht gegeven om in de weekenden in Duitsland te verblijven. Appellant had ook ervoor kunnen kiezen om in Nederland te verblijven. De plaats van tewerkstelling was immers [plaatsnaam 2]. Ook door de militaire oefening in Duitsland is niet het tijdvak onderbroken dat appellant het gebied van plaatsing heeft verlaten. Militaire oefeningen zijn in artikel 3 van Pro het VBD uitgezonderd bij de vaststelling van een tijdvak. Ook spelen bij een militaire oefening van negen dagen de componenten waaruit de toelage buitenland bestaat geen, althans een geringe rol. Gelet op het voorgaande heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant voor een tijdvak langer dan dertig achtereenvolgende dagen het gebied van plaatsing heeft verlaten. Appellant heeft gesteld dat zijn kosten in Duitsland doorliepen, maar appellant heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt welke kosten hij daadwerkelijk heeft gemaakt. Aan appellant zijn bovendien wel een tegemoetkoming in de woninghuur en een aanvulling daarop toegekend. Verder heeft de staatssecretaris terecht erop gewezen dat appellant ook ervoor had kunnen kiezen om de weekenden in zijn huis in Nederland of op de kazerne in [plaatsnaam 2] door te brengen. De staatssecretaris heeft, gelet hierop, de situatie van appellant in redelijkheid niet behoeven aan te merken als een bijzondere omstandigheid op grond waarvan de hardheidsclausule, zoals bedoeld in artikel 28 van Pro het VBD, moest worden toegepast.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak dat appellant in de periode van 8 januari 2018 tot 24 maart 2018 geen recht heeft op een toelage buitenland. De Raad neemt de overwegingen die daaraan ten grondslag zijn gelegd over en maakt die tot de zijne. Naar aanleiding van wat in hoger beroep is aangevoerd, voegt de Raad hieraan het volgende toe.
4.2.
Appellant stelt dat het in strijd is met de Algemene wet gelijke behandeling dat als een gehuwde militair tijdens zijn plaatsing in het buitenland de opleiding gaat volgen hij zijn gehele, hogere, toelage buitenland behoudt. Dit betoog slaagt niet. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1473) is het verschil in behandeling van, in dit geval, een militair met gezinsleden en de militair zonder gezinsleden terug te voeren op een niet vergelijkbare leefsituatie en daarmee samenhangende behoeften. Aldus is geen sprake van een verboden onderscheid.
4.3.
Voorts stelt appellant dat zijn plaatsing in Duitsland niet is geëindigd tijdens het volgen van de [opleiding], omdat hij in de weekenden naar zijn woning in Duitsland is teruggegaan. Ook dit betoog slaagt niet. Appellant was van 8 januari 2018 tot 24 maart 2018 tewerkgesteld op de [kazerne] in [plaatsnaam 2]. Het betreft een aaneengesloten periode, waarbij geen onderscheid bestaat tussen de werkweek en het weekend. Geconcludeerd moet worden dat appellant om redenen van dienst het gebied van plaatsing voor meer dan dertig achtereenvolgende dagen heeft verlaten. Dat appellant in de weekenden naar zijn woning in Duitsland is teruggekeerd, leidt derhalve niet tot een ander oordeel.
4.4.
Het door appellant gestelde nadeel van meer dan € 3.000,-, wat daarvan ook zij, leidt afgezet tegen het totaal van de wel door hem ontvangen vergoedingen in de bewuste periode, niet tot een zodanig bijzondere situatie dat de staatssecretaris gehouden was om toepassing te geven aan de hardheidsclausule. In het VBD is immers voorzien in deze situatie.
4.5.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas, in tegenwoordigheid van M. Buur als griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2021.
(getekend) H. Lagas
(getekend) M. Buur