ECLI:NL:CRVB:2021:850

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 april 2021
Publicatiedatum
16 april 2021
Zaaknummer
20/2097 AOW-V
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55 AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:54 AwbArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen afwijzing verzoek vrijstelling griffierecht ongegrond verklaard

Appellant heeft verzet ingesteld tegen de beslissing van de Centrale Raad van Beroep waarbij zijn hoger beroep niet-ontvankelijk werd verklaard vanwege het niet tijdig betalen van het griffierecht. Appellant stelde dat hem niet de mogelijkheid was geboden om het griffierecht in termijnen te voldoen en dat internationaal recht bescherming biedt tegen ontzegging van toegang tot de rechter wegens financiële omstandigheden.

De Raad overwoog dat het wettelijke stelsel geen betaling in termijnen toestaat en dat vrijstelling van griffierecht alleen kan worden verleend indien het netto-inkomen van appellant en zijn partner lager is dan 90% van de maximale bijstandsnorm voor een alleenstaande, en er geen vermogen is om het griffierecht te betalen. Uit de beoordeling bleek dat het inkomen van appellant en zijn partner hoger was dan deze norm.

De Raad heeft appellant meerdere malen gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en hem een laatste termijn gesteld om te betalen, met de waarschuwing dat bij niet-betaling het hoger beroep niet inhoudelijk zou worden behandeld. Gelet op deze omstandigheden en de wettelijke regels werd het verzet ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring wegens niet tijdige betaling van het griffierecht wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Datum uitspraak: 16 april 2021
20/2097 AOW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzet als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 april 2020, 19/6362 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats], Duitsland (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 15 oktober 2020 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant heeft verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 5 maart 2021. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

In de uitspraak van de Raad van 15 oktober 2020 staat dat het verschuldigde griffierecht niet is betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
In verzet stelt appellant dat hij niet in de gelegenheid is gesteld het griffierecht in termijnen te voldoen, terwijl de inhoudelijke behandeling van de zaak bij de Raad pas in de loop van 2021 zou zijn gepland. Ook stelt appellant dat internationaal recht voorschrijft dat niemand wegens financieel onvermogen het recht op adequate rechtspraak mag worden ontzegd.
De Raad heeft in zijn uitspraak van 13 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:282, geoordeeld dat bij onvoldoende financiële draagkracht heffing van het griffierecht de toegang tot de rechter kan belemmeren. Mede gelet op het belang dat in een rechtsstaat toekomt aan de toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie, welk belang mede ten grondslag ligt aan artikel 6 van Pro het EVRM kan in deze situatie niet worden aanvaard dat een (hoger) beroep wegens het niet betalen van griffierecht niet-ontvankelijk wordt verklaard. In een dergelijke situatie kan vrijstelling van het griffierecht worden verleend. De Raad heeft voor die gevallen beslist welke criteria in bestuursrechtelijke zaken gehanteerd worden bij een beroep op betalingsonmacht. Om voor vrijstelling van het griffierecht in aanmerking te komen moet een rechtzoekende aannemelijk maken dat het netto-inkomen waarover hij maandelijks kan beschikken minder bedraagt dan 90% van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm en dat hij ook niet beschikt over vermogen waaruit het griffierecht kan worden betaald. De periode waarover de hoogte van het inkomen en vermogen wordt beoordeeld, vangt aan nadat de griffier de indiener van het (hoger) beroepschrift voor de eerste maal op de verschuldigdheid van het griffierecht heeft gewezen en eindigt op de datum waarop het griffierecht uiterlijk op de rekening van het gerecht moet zijn bijgeschreven dan wel ter griffie moet zijn gestort.
De Raad heeft een verzoek van appellant om hem vrijstelling te verlenen van betaling van het griffierecht afgewezen omdat het netto-inkomen waarover appellant en zijn partner in de bedoelde periode maandelijks konden beschikken, hoger was dan de op dat moment geldende norm van 90% van de maximale bijstandsnorm voor een alleenstaande. De Raad heeft appellant daarna bij brief van 14 augustus 2020 een laatste termijn gesteld om het griffierecht te voldoen en daarbij meegedeeld dat appellant er rekening mee moet houden dat het hoger beroep niet inhoudelijk zal worden behandeld, als hij het griffierecht niet op tijd betaalt. De Raad heeft de juiste procedure gevolgd ten aanzien van het verzoek om vrijstelling van het griffierecht. Om die reden kan al hetgeen in verzet is aangevoerd niet slagen. De Raad merkt daarbij op dat het wettelijke stelsel geen mogelijkheid biedt om het griffierecht in termijnen te betalen.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door J.C. Boeree, in tegenwoordigheid van R. van Doorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2021.
(getekend) J.C. Boeree
(getekend) R. van Doorn